Een onderzoek naar de adel

In this Hoe geschiedenis jij? professor Renger de Bruin talks about historical research on a specific subject: the nobility. He does so by introducing his two current studies, one on the nobility in the province of Utrecht and the other on members of the Bailiwick of Utrecht of the Teutonic Order, between 1640 and the midpoint of the twentieth century. Renger touches on the different sources and research methods used, but also on the role and position of nobles through time.


Sinds 2017 werk ik bij de afdeling Economische en Sociale Geschiedenis aan het onderzoeksproject ‘Nieuw licht op de adel’. Dat heeft twee sporen: de geschiedenis van de adel in de provincie Utrecht, vanaf de vroege middeleeuwen tot heden, en een onderzoek naar de leden van de Ridderlijke Duitsche Orde (RDO), Balije van Utrecht, tussen 1640 en het midden van de twintigste eeuw. Het project past goed in het afdelingsprofiel, op het thema ongelijkheid. Adel is in wezen een ultieme vorm van ongelijkheid, een onderscheid op basis van geboorte. In zijn programma over de maatschappelijke kloof sprak Sander graaf Schimmelpenninck daarover met zijn ouders aan de keukentafel in het familiekasteel. Daniela Hooghiemstra bracht daar tegenin: ‘Die adellijke bofkonten zitten bij een oude kachel.’ Dat er onder edellieden ook vroeger financiële problemen waren, ben ik in mijn onderzoek meermaals tegengekomen. Zo moest Willem René van Tuyll van Serooskerken, een jongere broer van Belle van Zuylen, het familiekasteel in 1803 te huur zetten. Anderen moesten hun stamslot zelfs verkopen.

Ik werk samen met collega’s die het investeringsgedrag van de Nederlandse elite tussen 1780 en 1940 bestuderen en daarbij kijken naar de relatie tussen rijkdom en politieke macht. Al deze onderzoeken beogen meer inzicht te krijgen in het verschijnsel elite. Juist nu er veel discussie is rond elites, is het van belang door grondig onderzoek scherp te krijgen wat elite is, hoe die is samengesteld en hoe die zich in de tijd heeft ontwikkeld. Zoals gezegd is adel al een elite op zich en de RDO is weer een elite binnen een elite. Deze vroegere kruisridderorde heeft zich tot op heden kunnen handhaven. Alleen telgen uit oude adellijke families kunnen toetreden en tot nog niet zo lang geleden moest je vier grootouders hebben uit families die al voor 1795 aantoonbaar van adel waren.

Het onderzoek naar de leden van de RDO is een zogeheten prosopografisch onderzoek, ook wel collectieve biografie genoemd. Van alle leden van een groep, in dit geval de RDO-ridders tussen 1640 en 1950, worden zo veel mogelijk gegevens verzameld, om daaruit patronen in politieke macht, rijkdom, huwelijken, godsdienstige beleving of culturele interesse te ontwaren. Genealogische literatuur, familiearchieven, archieven van instellingen als Provinciale Staten en het rijke archief van de Orde zelf vormen de voornaamste bronnen. De geschiedenis van de Utrechtse adel wordt hoofdzakelijk geschreven aan de hand van bestaande literatuur, met aanvullend archiefonderzoek.

Gezicht op Slot Zuylen, het kasteel aan de Vecht, dat door vererving en verkoop van de ene op de andere familie overging, tot het voor lange tijd in handen kwam van het geslacht Van Tuyll van Serooskerken, waartoe Belle van Zuylen behoorde. Prent door Daniel Stopendaal, 1718-1719. Bron: Collectie Het Utrechts Archief nr. 135593.

Beide onderzoekstrajecten volgen een groep die lange tijd een leidende positie heeft ingenomen. Bij de Utrechtse adel kijk ik met name welke families opkwamen, welke  uit de top verdwenen en welke het lang wisten vol te houden. De primaire invalshoek is de adel als politieke elite en daarom zal de samenhang met de bestuursstructuren een belangrijk element vormen. De inbedding in het historisch debat over elites zal het vertellen van een verhaal geenszins in de weg staan. Er zal juist veel aandacht zijn voor persoonlijke details. Om een voorbeeld te noemen: toen de vijftiende-eeuwse edelman Jacob van Gaasbeek zijn enige zoon met een paardentuig sloeg, omdat de jongen niet ridderlijk genoeg in het zadel zat, en hem daarmee dodelijk verwondde, maakte hij letterlijk in één klap een einde aan de dynastieke ambities van het rijkste en machtigste Utrechtse adelsgeslacht. De Zuylen-clan, waartoe Gaasbeek behoorde, was opgekomen vanaf de twaalfde eeuw en was in de veertiende eeuw dominant geworden in de regio, maar moest hierna andere families voor zich dulden. De opkomst van geslachten was een langzame weg, terwijl de neergang plotseling kon geschieden als gevolg van een enkele misstap.

Door de politieke invalshoek en de aard van het bronnenmateriaal zullen mannen prominenter uit de onderzoeksresultaten naar voren komen dan vrouwen. Vrouwen komen vanwege de taakverdeling tussen de seksen, zoals die tot ver in de twintigste eeuw bestond, in de bronnen vooral voor als huwelijkspartner, moeder of dochter. Overigens waren dat essentiële rollen voor de adel, die bepaald wordt door geboorte. Adellijke dames die er door hun persoonlijke inzet uitspringen, zullen echter ruime aandacht krijgen: van de strijdbare Bertha van Heukelom, die aan het eind van de dertiende eeuw het kasteel van IJsselstein verdedigde, via de energieke Margaretha Turnor, die rond 1675 de steigers opklom om toe te zien op de herbouw van Kasteel Amerongen, tot de bekende achttiende-eeuwse schrijfster Belle van Zuylen, geboren Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken, die veel kritiek had op de adel en adellijke gebruiken, zoals de jacht.

Belle toonde haar onafhankelijkheid door diverse adellijke huwelijkskandidaten af te wijzen en uiteindelijk met een Zwitserse huisleraar te trouwen. De adellijke huwelijken dienden tot versterking van het netwerk, het familiekapitaal of in het geval van de RDO om kwalificatie van de volgende generatie te garanderen. De meesten trouwden binnen het eigen milieu, maar dat was geen uitgemaakte zaak. Diverse Utrechtse edelen en RDO-ridders trouwden met niet-adellijke meisjes. Dat vrouwen ook geen willoze werktuigen waren, blijkt wel uit het voorbeeld van Belle. Haar houding werd nog redelijk geaccepteerd door de familie, maar zelfs in geval van actief verzet konden geliefden uiteindelijk hun zin krijgen. Heel triest is het verhaal van de zeventiende-eeuwse Maria van Wassenaer, de jongere zuster van een RDO-lid, die verliefd werd op de bediende van een Duitse gast van haar vader. Zij werd door pa opgesloten in het kasteel, door haar broers mishandeld, ontsnapte, kwam in een gekkenhuis terecht, maar trouwde uiteindelijk toch met haar geliefde. Helaas leefden zij niet lang en gelukkig: zij overleed al binnen een paar jaar.

Met de huwelijken van de ridders was ik net bezig, toen de redactie van Aanzet mij vroeg om een stukje over mijn onderzoek te schijven. Een lezing hierover, vorig jaar gehouden op een congres in Polen, moet verschijnen in de conference proceedings. Diverse aspecten van het RDO-onderzoek presenteer ik op internationale congressen. Voor de studie naar de geestelijke ridderorden (Tempeliers, Johannieters en Duitse Orde) is veel belangstelling in Duitsland, Polen en de Baltische staten, maar ook in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Behalve voor een wetenschappelijk forum presenteer ik de onderzoeksresultaten voor een breder publiek, zoals historische verenigingen. Uiteindelijk zullen beide sporen uitmonden in een omvangrijke monografie. Het boek over de RDO-leden zal over enkele jaren verschijnen, maar dat over de Utrechtse adel wordt volgend jaar mei gepresenteerd, bij de opening van een tentoonstelling op Kasteel Amerongen en de lancering van een documentaire van RTV Utrecht. Amerongen is een mooie plek voor de presentatie, als voorbeeld van het rijke erfgoed dat de adel heeft nagelaten.

dr. Renger de Bruin

Dr. Renger de Bruin studied history in Utrecht. He worked at the Universities of Utrecht, Leiden and Greifswald before joining the Centraal Museum Utrecht in 1994. He was also a Professor of Utrecht Studies. Since 2017 he has been a senior researcher at the Department of History and Art History of Utrecht University.