De klapschaats: een briljante uitvinding die niemand zag

Clap skates: every skater is using them nowadays. But forty years ago, no one had heard of them. Initially, no top skater would dare to switch to this new type of skates. But after the success of one youth team, the biggest revolution in speed skating took place. And it all started with this one test model from Amsterdam.


In het diepste geheim wordt op 10 februari 1985 de allereerste testrit met de klapschaats gereden. Op de Jaap Edenbaan in Amsterdam maakt sprinter Ron Ket de eerste meters op dit nieuwe type schaats. Het allereerste testmodel wordt nog altijd bewaard in de collecties van de Vrije Universiteit (VU), als bijzonder stuk universiteitsgeschiedenis. Want het zijn bewegingswetenschappers van de VU die ten tijde van die eerste testrit al jarenlang bezig zijn met onderzoek naar een nieuw type schaats. Het onderzoek wordt geleid door Gerrit Jan van Ingen Schenau. Hij houdt zich bezig met biomechanica en is zelf fanatiek schaatser. Van Ingen Schenau besluit zich dan ook toe te leggen op het bestuderen van de schaatsbeweging. Hij begint met het analyseren van de beelden van de Nederlandse dames. Daarbij valt hem op dat de schaatssters het contact met het ijs verliezen voordat de knie volledig gestrekt is, waardoor de slag wordt afgemaakt in de lucht. Van Ingen Schenau typeert het als een ‘gehandicapte afzet’.[1] Hij denkt dat een schaatsschoen met een losse hak en scharnierend ijzer een oplossing kan zijn. Dan hoeft een schaatser zich niet in te houden bij het volledig strekken van het been.

Het allereerste testmodel van de klapschaats uit 1985. Bron: VU Amsterdam, Jos de Koning.

De onderzoeksgroep start met testmodellen. De onderzoekers willen voorkomen dat hun resultaten uitlekken en ze de voorsprong van hun uitvinding verliezen. Of nou ja, hun uitvinding: gaandeweg het onderzoek komen ze erachter dat al in 1894 patent is verleend voor een klapschaats. Zo nieuw blijkt hun vondst dus niet. Toch is de schaats nog niet bekend onder schaatsers, behalve in één provincie, vertelt sporthistoricus Jurryt van de Vooren in de podcast ‘De klapschaats’ van NAP Nieuws. ‘Met name in Friesland waren ze in de negentiende eeuw al heel innovatief als het ging om schaatsen, omdat je bij de wedstrijden op de korte baan geld kon verdienen. En als je ergens geld mee kan verdienen, worden mensen creatief. Dus heel veel moderne uitvindingen in het schaatsen zijn vaak al heel lang bekend in Friesland.’[2]

Ondanks hun inspanningen lukt het de VU-wetenschappers niet om hun onderzoek helemaal geheim te houden. Van de Vooren: ‘Eigenlijk stond er al iets te vroeg in een Nederlandse krant dat de klapschaats bestond: in de toen zeer kleine, linkse krant De Waarheid. Het grote publiek werd nog niet bereikt. Als het in de Telegraaf had gestaan, dan had iedereen het geweten.’[3]

Schaatsfabrikant Viking produceert in 1986 een paar honderd klapschaatsen, en verkoopt er tot 1996 slechts 150. [4] Eén van die kopers is Erik van Kordelaar, samen met Dick de Bles in 1994 schaatstrainer van de mannelijke junioren in het Gewest Zuid-Holland. Van Kordelaar heeft bewegingswetenschappen aan de VU gestudeerd en was in een college van Van Ingen Schenau enthousiast geworden over de klapschaats. ‘Ik dacht: als de theorie in praktijk waar blijkt te zijn, moet ik gewoon veel harder gaan. Dus waarom zou ik de gok niet nemen?’ [5] En zo werd Van Kordelaar de eerste met verbeterde resultaten. ‘Ik weet het nog goed: mijn record was destijds 4.39 op de drie kilometer. Toen ging ik binnen één wedstrijd naar 4.27, dus dat was twaalf seconden. Omdat ik ook de luchtdruk, temperatuur en dat soort factoren bijhield, kon ik goed inschatten wat de bijdrage moest zijn geweest van de klapschaats. Dus ja, hoeveel heb je jezelf verbeterd? Ik denk toch wel met een seconde per vijfhonderd meter. Dat is echt wel veel. Daar kun je niet tegenaan trainen.’ [6]

Hij besluit de nieuwe schaats ook bij zijn jeugdploeg te introduceren. ‘Met mijn collega-schaatstrainer Dick de Bles heb ik toen een keer overleg gehad. Ik zei: het zou toch mooi zijn als we met deze gasten een project zouden starten, zodat we de helft van mijn groep en de helft van jouw groep op die schaatsen krijgen. Toen zijn we niet veel later naar de VU gegaan. Daar werden we met open armen ontvangen. Ik weet het nog goed. Van Ingen Schenau zei: “Jos [de Koning, zijn secondant], moet je horen! Eindelijk, na al die jaren wachten, is er een groep enthousiastelingen van een gerespecteerd niveau die op de klapschaats wil beginnen. Een geschenk uit de hemel!”’

En die overstap blijft niet zonder succes. Van de Vooren: ‘Er waren al in de jaren negentig jongere schaatsers in het Gewest Zuid-Holland die met die klapschaatsen begonnen en die alles en iedereen aan gort reden. De rest van de schaatsers zeiden niet: “Wauw, dat willen wij ook” – nee, die wilden niet meer met ze praten. Ze werden niet gefeliciteerd, dus die hadden ook zoiets van: wat is hier aan de hand?’

De topschaatsers uit die tijd durfden er nog niet aan. Trainer van de Nederlandse schaatsploeg Henk Gemser was enthousiast, maar wist zijn pupillen niet te overtuigen. Van de Vooren: ‘Dat is het grappige: dat de grootste revolutie in het schaatsen zo’n ontzettend trage geschiedenis heeft. Het interesseerde topschaatsers geen moer dat er iets was waarmee ze sneller konden schaatsen dan de tegenstander. De schaatswereld was ongelofelijk conservatief.’ [7] Befaamd is een interview waarin Rintje Ritsma de klapschaats afdoet als een ‘vrouwenschaats’.[8] 

Het is uiteindelijk een vrouw, de Nederlandse schaatsster Tonny de Jong, die zorgt voor de definitieve doorbraak van de klapschaats. In 1997 wordt ze verrassend Europees kampioen allround. Ze verslaat grootheid Gunda Niemann, een opzienbarende prestatie. Het maakt dat de schaatswereld niet langer om de klapschaats heen kan. Binnen een jaar stapt vrijwel iedereen over en tijdens de Winterspelen in 1998 sneuvelen records bij bosjes dankzij de schaats van Van Ingen Schenau.[9] 

De wetenschapper heeft niet lang van het succes kunnen genieten. Op 2 april 1998 overlijdt hij aan de gevolgen van kanker. Na zijn dood is de VU verdergegaan met het bestuderen van de schaatsbeweging en het perfectioneren van de meetschaats. Dit allereerste testmodel wordt nog altijd bewaard in de collecties van de VU en vormde in 2014 onderdeel van een tentoonstelling over de klapschaats op de universiteit.

Bronnen

[1] Johann Mast, ‘De stroeve start van de klapschaats, de grootste schaatsrevolutie aller tijden,’ Leeuwarder Courant, 30 oktober 2021.
[2] Dirk Hooijer, ‘De klapschaats: een briljante uitvinding die niemand zag,’ NAP Nieuws, 10 februari 2022, geraadpleegd op vrijdag 4 maart 2022.
[3] Ibidem.
[4] Mast, ‘De stroeve start van de klapschaats, de grootste schaatsrevolutie aller tijden.’
[5] Dirk Hooijer, ‘De klapschaats: een briljante uitvinding die niemand zag,’ NAP Nieuws, 10 februari 2022, geraadpleegd op vrijdag 4 maart 2022.
[6] Ibidem.
[7] Ibidem.
[8] Roeland de Bruïne, Tien jaar wachten op applaus, WestDoc, 2018,  https://www.omroepwest.nl/tv/aflevering/westdoc/170241922.
[9] Jurry van de Vooren en Marnix Koolhaas, ‘Geheim van de klapschaats lag in 1985 op straat’ (versie 29 januari 2014), https://web.archive.org/web/20140221222832/http:/www.geschiedenis24.nl/nieuws/2014/januari/Geheim-van-de-klapschaats-lag-in-1985-op-straat.html (3 maart 2022).

Dirk Hooijer obtained his bachelor’s in History at Utrecht University in 2021 and currently studies Journalism at the University of Amsterdam. His interest lies in coping with the past in a creative way, like podcasting or popular writing.